Geschiedenis Bödefeld
Ontstaans- en naamsgeschiedenis Bödefeld (800 -1000)
Het dorp Bödefeld behoort tot de oudste en ook tot de mooiste plaatsen van het Hoog Sauerland. Het dorp is al zeker meer dan duizend jaar oud. Helaas zijn er over de exacte ontstaansdatum geen documenten voor handen en konden er tot nog toe geen sporen van bewoning afkomstig uit de eerste eeuwen gevonden worden.
Waar de naam van het dorp vandaan komt, wordt vertelt door een legende. Deze legende luidt als volgt: “Een man met de naam Budo werd, door de herders van de Saksische hertog Widukind, beschuldigd van paardendiefstal. Hoewel de daad niet bewezen was, brachten zij hem met geweld om het leven. Dit alles hoorde bisschop Ludgerus, de stichter van het klooster Werden, toen hij juist een rondrit maakte door het land. Hij ging naar de plaats van het onheil en wekte de man weer tot leven. Uit vreugde en dankbaarheid, richtte men in het dorp waar het allemaal had plaats gevonden een kruis op en noemde de nederzetting voortaan “Buoddovelden” ter nagedachtenis aan deze geschiedenis met Buddo”. Dit alles zou ergens rond het jaar 800 plaats hebben gevonden.
De eerste keer dat het dorpje “Buoddovelden” in de officiële boeken verschijnt was dat de Keulse Aartsbisschop Anno II in het jaar 1072 in het plaatsje Graftschaft in de buurt van Schmallenberg een benedictijnsklooster stichtte. Deze priester verbond 12 kerken/plaatsen aan het klooster, voor het onderhoud van de monniken van dit klooster. Eén van deze kerken/plaatsen was “Buoddovelden”. Het dorp moet toen dus al een kerk bezeten hebben en hieruit kan men opmaken dat het dorp ook al langere tijd bestond, omdat de kolonisatie zich destijds langzaam voltrok. Er moeten dus al wat jaren aan vooraf gegaan zijn voordat het dorpje groot genoeg was om een kerk te bouwen.
Bödefeld en het recht van “Freiheit” ( 1100-1400)
Buoddovelden, bestond rond de 11e eeuw waarschijnlijk uit meerdere gehuchten en behoorde politiek gezien tot het graafschap Arnsberg. De laatste Arnsbergsegraaf, genaamd Gottfried IV (1327-1371) kon het niet zo goed vinden met de Keulse aartsbisschop Walram. Zonder zijn toestemming gaf deze graaf het dorp Bödefeld in het jaar 1342 het recht van “Freiheit”. (Zo duidde men plaatsen aan, die een stads zelfbestuur hadden maar waarvan dit verder niet bevestigd was). De burgers van een “Freiheit” mochten zelf hun burgermeester en wethouders kiezen en deze bestuurde de gemeente zelfstandig, met eigen verantwoording. Misschien wilde de graaf hiermee de loyaliteit van de burgers winnen. Voor Bödefeld was deze benoeming tot een “Freiheit” hoe dan ook van een blijvende grote betekenis.
Het dorp was met dit recht niet van haar belastingplicht bevrijd. De inwoners moesten jaarlijks op Sint Maarten, per huishouden, zes dinar, 2 kippen en van de akkers een tiende van de oogst aan de landheren schenken. De plaats moet in die tijd uit 46 huishoudens hebben bestaan, aangezien er lange tijd, velen jaren achtereen 92 kippen naar Arnsberg werden gebracht. Voor het inzamelen en het afgeven van deze belasting waren er 2 burgers verantwoordelijk, die daarvoor een stuk land “belastingvrij” ontvingen, hetgeen “kippenland” genoemd werd. Boven op deze “vrijheidsbelasting” kwamen ook nog landsbelastingen en anderen afgifte, die de gemeenschapskassa zwaar belasten.
Maar wel, bracht de verheffing tot een “Freiheit” het dorp persoonlijke en bedrijfseconomische voordelen. Zeer veel landbewoners werden destijds namelijk sterk gehinderd door een ontmoedigende gehoorzaamheid tegenover de adellijke grondheren. De burgers van een “Freiheit” daarentegen genoten wel persoonlijke vrijheden, die door ons tegenwoordig als vanzelfsprekend gezien worden. Ze waren vrij in de keus van hun partner, de beroepsopleiding van hun kinderen, beschikkingsrecht over hun eigendom, etc. Deze vrijheden bevorderde de handel. Wat er onder andere toe leiden dat Bödefeld voor lange tijd lid van het Hanzeverbond was en ijzer en wol op buitenlandse markten verkocht. Ook de rechtspraak over alledaagse levens zaken werd door het eigen gemeente bestuur gedaan. Een ander bijzonder voordeel was het gebruik mogen maken van land van de graaf als “Freiheitsland”. Iedere burger kreeg hiervan een deel ter vergroting van het eigen land. Op gemeenschappelijke weiden en hoogte hadden ze ‘hoedrecht” en ze konden zichzelf uit het gemeenschappelijke woud ook voorzien van brandhout.
Deze “Freiheitsstatus” bleef ook behouden, toen de Arnsbergsegraaf Godfried IV ter afsluiting van zijn graafschap in 1368 alles aan het aartsbisdom van Keulen verkocht. Het zelfkiesrecht (van het gemeente bestuur) eindigde met de overgang van het heerschap (1803) aan Hesen-Darmstadt en in 1816 met de overgang aan de Preuzen. Nu worden burgermeesters door de regering benoemt en beheren zij het gemeenschapswezen. Maar Bödefeld is nog steeds trots op zijn “Freiheit”!
Het dagelijks leven in Bödefeld van 1400 tot 1600
Het leven in het dorp werd door landbouw en handwerk vormgegeven. Hoofdzakelijk bedreef men veeteelt en benodigde men zodoende veel weideland. Akkers voor het verbouwen van graag en koren (om brood te maken) waren door deze grote behoefte aan weideland schaars en ook de beboste bergen diende als veeweide en raakte daardoor beschadigd. Waarbij dit laatste weer tot gevolg had dat de opbrengst van goed hout gering was. Jongvee en paarden waren echter erg belangrijke handelswaar, deze werden geëxporteerd en verkocht. Ook landbouw producten als boter, eieren, kaas, spek, etc. brachten de boeren redding. Wat men voor het levensonderhoud nodig had verbouwde men zelf. Servies en bestek, zoals lepels en schaaltjes werden uit hout gemaakt.
In “hutten” smolt men ruwijzer om tot smeedbaar ijzer en maakte hier in smederijen handwerktuigen van zoals: houwelen, bijlen, schoffels, etc. Deze bedrijvigheid hield echter door de elders zich onwikkelende grootindustrie niet lang stand. Een andere reden waardoor de smederijen het moeilijk hadden was dat de dorpsbeek de Palme niet altijd genoeg waterkracht leverde voor de aandrijving van de machines. Oude huisnamen zoals: Wollenweber (wolwever), Löffler (lepelaar), Schütller (..), Schröder (ijzerwerker), Schmidt (smid) en straatnamen “Auf der Hütte” herinneren nog aan deze tijd.
Ook het door ieder gewaardeerde bier werd volgens vaste regels destijds zelf gebrouwen. Daartoe benodigde men een ketel, maar wie geen bezat kon in het raadhuis, de “Freiheitskessel” lenen. Het bier moest tenminste 2 weken in deze ketel staan blijven en mocht ook niet eerder eruit gehaald worden dan het moment waarop degene die de ketel daarvoor gebruik had zijn bier opgebruikt had. Was het tijdstip aangebroken waarop het bier uit de ketel mocht dan moest men bij de “magistraat” een proef langs brengen, waarop die dan de prijs voor het bier vaststelden. Voor het uitschenken was er ook een voorgeschreven maat, de zogenaamde vrijheidsmaat. Fouten werden voor het gerecht aangepakt, zo streng was men in deze sector.
Het dagelijks leven in Bödefeld van begin 1600 tot +/- 1700
Tijdens de 30 jarige oorlog van 1618 tot 1648 had Bödefeld slechte tijden te doorstaan . Er vonden in het dorp dan wel geen grote slagen plaats, echter de doorgang van oorlogstroepen en het daaraan verplicht afgeven van geld en voedingsmiddelen veroorzaakte veel armoede en ellende. Daar boven op kwam dat “meegevoerde” ziekten als de pest hele families uit roeide. Velen hoven werden verwoest, verlaten en de velden lagen er braak bij. De gemeente kas was leeg. De gemeente moest zelfs geld lenen, om vreemde legers op afstand te kunnen houden zodat deze de plaats niet over zouden nemen en ook met de Grondheren van het buurdorp Osterwald had men strijd. Voor het gerecht streed men al jarenlang om het grensverloop. De vlakte waarom het ging heet nog steeds de “strijdberg”.
De innamen van gemeente geld was over het algemeen gering. Deze bestond overwegend uit strafgelden, die de magistraat voor verschillende vergrepen aan de burgers oplegde. Een andere bron van inkomsten kwam voort uit “intrek gelden”, een regel die in deze tijd ontstond.
Om de gemeentekas te spekken liepen in armoedige tijden, dus ook in deze periode de strafgelden wel hoger op. De meeste boetes werden uitgedeeld voor beledigingen of gewelddadigheden, die bestraft werden en dit zonder hierbij rekening te houden met bijvoorbeeld het aanzien van de persoon in kwestie die het strafbare feit gepleegd had. Zo moest zelfs de burgermeester op een bepaald moment een boete betalen. Dit omdat hij tegen het verbot in ‘groene heesters’ uit het bos gehaald had en ook nog de regels van het bier uitschenken aan zijn laars gelapt had. Zwaardere vergrijpen zoals diefstal of wanneer erbij een vechtpartij bloed vergoten was, kwamen voor het gerecht van de Keurvorsten.
Omdat men vervolgens de gemeenschappelijke weiden en bossen destijds logischerwijs liever niet met veel gebruikers wilden delen, hechte men aan de toestroming van nieuwe burgers geen waarden. Zo ontstond de bovengenoemde regeling met betrekking tot “intrek gelden”. Deze regeling hield in dat personen die in het dorp een landstuk/gebouw gekocht hadden, dan wel in het dorp intraden na een huwelijk, daarvoor een bepaald tarief moesten betalen. Veel jonge mensen moesten ook van wegen de “krapte” buiten het dorp werken om in hun levensonderhoud te voorzien. En de mensen die al langer in Bödefeld woonde deelden men in naar mensen met, hele, halve en zonder rechten wat betreft het gebruik van de weiden en de bossen.
Pas toen als gevolg van het nagalmen van de Franse revolutie, de roep om vrijheid, gelijkheid en broederschap ook in Duitsland hoorbaar werd en tot kritisch denken bewoog, hield het onderscheid tussen de verschillende soorten rechten niet langer stand. Zij het eerst met enige tegenwerking kregen uiteindelijk toen ook in Bödefeld alle burgers gelijke rechten.
Oorlogen en de daardoor veroorzaakte tijden van nood hielden echter wel nog even aan. Het is dan ook verbazend dat het de gemeente Bödefeld toen gelukt is om meer dan 100 jaar te worden. Op steun van de regering van de Keurvorsten konden plaatsen als Bödefeld (Freiheden) namelijk niet rekenen. Hun interesse beperkte zich tot de inname van de belastinggelden. Gemeenten als Bödefeld hadden het zodoende ook zwaar om aan alle openbare eisen te voldoen. Men benodigde had hiervoor ijverige mensen, met daadkracht en initiatief nodig. Zo kwam er in het jaar 1721 een duidelijke opbloei, toen pastor Heinrich Montanus de pastorie in het dorp overnam.
Pastor Montanus en zijn werken, 1721-1743.
Pastor Heinrich Montanus, stapte in 1721 in een zwaar ambt. De bewoners van de parochie Bödefeld waren voor het grootste deel akkerbouwers en leefden in behoeftige toestand. Velen van hen, behalve de bewoners die behoorde tot de “freiheit” waren lijfeigenen van adelen en rechteloos.
Pastor Montanus was een man die zijn gemeente verenigde. Hij bouwde al in 1723 een nieuwe kerk en versterkte daarmee het zelfbewustzijn van de mensen. Later weidde hij op de berg die toenmaals nog Waakberg genoemd werd (van de wacht houden), een kruis in boven Bödefeld, waarop de berg sindsdien Kruisberg heet. Maar al snel volgde er toen ook al de wens voor een kapel boven op de berg. Vele helpers sleepten stenen de berg op, voor de bouw van de (Welvaarts) kapel die zich daar nu nog steeds bevind. Het grootste werk volbracht hij echter middels zijn pastorale begeleiding aan de aan hem toevertrouwde mensen en middels zijn zorgvuldige aandacht voor opvoeding van de kinderen. Het is sinds de komst van Montanus bijvoorbeeld, dat men van goed geregeld basisonderwijs in Bödefeld spreken kan. Montanus stierf in 1743, zijn lichaam is begraven boven op de Kruisberg bij zijn kapel.
Het onderwijs in Bödefeld 1743-1900
Het onderwijs van de kinderen was een groot probleem. Het ontbrak hierbij naast geld en een goede ruimte, namelijk ook aan goed opgeleide leerkrachten. De regering hield zich hier niet mee bezig. Zij liet deze opgave aan de kerk over en zo kwam het dat de meeste kosters (naast koster) ook als leraar werkzaam waren, om zo de kinderen tenminste het hoognodige te onderwijzen. Zij verzorgden natuurlijk met name religie onderwijs zoals “Christusleer”. De ouders stonden eerlijkerwijs niet altijd achter het onderwijs. Zolang als de verschillende burgermeesters nog ondertekenden met 3 kruizen, zag men in het onderwijs geen nut. De kinderen moesten het vee hoeden en op de akkers werken. Ook leerden zij thuis breien en naaien en namen zo deel aan de productie van artikelen voor de verkoop, om zo in het levensonderhoud van de familie te kunnen voorzien. Zelfs toen op een later tijdstip onder Pruisische heerschappij, de algemene schoolplicht werd ingevoerd, waren nog steeds niet alle ouders bereid om hun kinderen naar school te laten gaan. Pas toen de toenmalige pastor in zijn hoedanigheid als schoolhoofd meerdere klachten ingediend had bij het gerecht tegen dergelijke ouders, gaven zij hun verzet op, echter niet zonder eerst de pastor van hun zijde wegens ongenoodzaakte dwang aangeklaagd te hebben. Het oude uit twee klassen bestaande schoolgebouw, stond nog tot begin jaar 1900 naast de “Pfarrkirche” en de krapte raden liet zich raden. In 1926 ontstond pas het huidige schoolgebouw.
Wegenbouw en andersoortige verbindingen met de buiten wereld, 1700-1900
De aansluiting van Bödefeld op de grotere verkeerswegen voltrok zich zorgelijk (net als de implementatie van het onderwijs). Er waren alleen zeer slechte, zand/bergpaden voorhanden die het dorp met Meschede, Winterberg en Fredeburg verbonden. Men nam er genoegen mee, te diepe gaten van tijd tot tijd op te vullen en bij goederenvervoer middels karren, werden er hand en span diensten verleent (zodat de karren niet bleven steken in modder ed.). Zo kwam ook het product van de ijzersmelterij, tijdens de Hanze tijd, slechts moeizaam en omslachtig in de Handelsstad Soest.
In het jaar 1842 plande men een goede verharde straat te maken, van Ramsbeck, naar Fredeburg, lopend door het Valmedal en via Bödefeld. Echter de dorpsbewoners weigerden een deelname in de kosten. De voorzitter van het dorp bedreigde men vervolgens met de kogel als hij verder nog over de “straat”sprak. De straat werd gemaakt maar via Brabecke en Gellinghausen en langs Bödefeld. 18 jaar later kwam het dan toch tot de aanleg van een straat, één die van Remblinghausen naar Siedlinghausen liep, door Bödefeld heen. Nog weer later in 1884 liep het opnieuw niet gemakkelijk bij de plannen omtrent de aanleg van een straat vanuit de dorpskern tot aan het geleidelijk aan ontstane “Obersdorf” en zo ook weer bij het doortrekken van deze zelfde straat richting Osterwald en Fredeburg (de huidige Hunaustrasse). De kosten vormden ook hier weer het struikelblok. Bödefeld was van mening, dat het een zaak was van de omwonenden, dit geschil werd opgelost toen de regering de gemeente verordende de kosten op zich te nemen.
Bödefeld had verder geen geluk, toen men het plan opgevat had om het in 1872 gebouwde spoor door het Roerdal met Bestwig te verbinden. Men had verwacht dat de mijnen uit Ramsbeck ook in een spooraansluiting geïnteresseerd waren, waarop men dan later dit spoor ook tot Bödefeld kon verlengen. De bouw van een dergelijke staatsbaan stokte echter. De mijnen lieten namelijk alleen een kleine spoorbaan, van Bestwig tot Ramsbeck toe, voor het goederen transport. Misschien vreesde men, bij een aansluiting aan het grotere staatsnetwerk, voor de afdwaling van arbeidskrachten naar andere regio’s waar men meer kon verdienen. Zo kwam het dat het bij paardenpost bleef, tot 1925 de eerste postauto naar Bödefeld toevoer.
Venters en kooplui van Bödefeld, 1700-1800
De verbinding van Bödefeld met de buitenwereld, waar hiervoor over verteld werd, was met name erg belangrijk voor de venters. Een groot gedeelte van de Bödefeldse bevolking leefde van de venterij. De armoede dreef hun daartoe. Gereedschappen, wolgoed, houtartikelen, enzovoorts, uit huisnijverheid, werden naar verre landen vervoerd en daar verkocht. Later nam men op deze reizen ook niet zelfgemaakte producten mee voor de verkoop. Het beroep van handelsreiziger was onzeker en vaak ook gevaarlijk, toch lukte het velen om in den vreemde een voet aan de grond te krijgen als handelaar. Ongeveer rond 1880 nam het venten sterk af. Men vond nu ook dichterbij werk, bijvoorbeeld in de mijnen van Ramsbeck. Op één van de wegen aan de rand van het dorp staat nog een houtenkruis ter herinnering aan de Bödefeldse venters, die onderweg om het leven zijn gekomen.
De twee Wereldoorlogen en Bödefeld.
Bödefeld had onder de twee Wereldoorlogen zwaar te leiden. Zo stierven er velen mannen uit het dorp. Op een gedenktafel in de “Pfarrkirche” staan de namen van de Bödefeldse mannen die zijn overleden. Een ander groot noodlot overkwam het dorp aan het einde van de tweede wereld oorlog. Nadat tegen het einde van de oorlog, door het artillerie geschut al veel schade was ontstaan, viel in 7 april 1945 de Amerikaanse luchtmacht Bödefeld aan met brandbommen en boordwapens, net zolang tot het in lichterlaaie stond. Velen van de oude vakwerkhuizen branden af en ook het achterste gedeelte van de oude “Pfarrkirche” waarin het oude barokke orgel stond. Veel mensen stierven en ook velen raakten gewond. Daarnaast was de schade aan de veestapel en het bos aanzienlijk. Scheppingskracht en ongebroken levenswil lieten Bödefeld echter al weer snel uit de puinhopen herrijzen.
Heden ten dagen verblijd het dorpsgezicht weer met statige zwart, witte met leisteen bedekte vakwerkhuizen. Inscripties in de balken van de toren en aan de gevels, vertellen nog van de wederopbouw.